

De tussenwervelschijven
De tussenwervelschijven werken als schokdempers tegen schokken en trillingen die zich bij lopen, rennen of springen voordoen. De tussen de oppervlakken van de wervellichamen gelegen tussenwervelschijven maken, ongeveer op de manier van een waterkussen, bewegingen in alle richtingen mogelijk. Al naar de belasting kunnen ze in hoogte af- of toenemen.
De tussenwervelschijven worden gevormd door een vaste, vezelige kraakbeenring met elkaar diagonaal kruisende vezels. Deze ring ligt rondom een zachte, geleiachtige kern, waarin een permanente druk naar alle richtingen werkzaam is.
Onze tussenwervelschijven voeden zich door diffusie. Bewegingen, vooral microbewegingen, begunstigen dit voor het instandhouden van de functies van de tussenwervelschijven belangrijke proces.
Diffusie
Aangezien de tussenwervelschijven niet over een eigen bloedvatverzorging beschikken, vindt de voeding uitsluitend door diffusie plaats: uit de naburige weefsels stroomt weefselvloeistof in en uit. Dit proces wordt door iedere beweging, hoe klein ook, begunstigd.
